De financiële toestand van de stad vergt de invoering van alle rendabele belastingen. Daartoe wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een belasting geheven op gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen.
Het stadsbestuur wil een belasting heffen op gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen om de maatschappelijke kost die deze activiteiten met zich meebrengen voor een deel te verhalen op diegene die de activiteiten uitvoert.
Deze belasting verlicht de financiële lasten van de stad.
Decreet over het lokaal bestuur;
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, gewijzigd bij decreten van 28 mei 2010 en 17 februari 2012;
Beslissing college van burgemeester en schepenen dd. 29 november 2019.
De Gemeenteraad keurt het volgend besluit goed met algemene stemmen
Voor de aanslagjaren 2020 tot 2025 wordt een belasting geheven op de vergunningsaanvragen en meldingen zoals bedoeld in art. 5 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
De belasting is verschuldigd door de aanvrager of de melder die gehouden is tot het indienen van de vraag of het indienen van de melding.
De belasting is verschuldigd ongeacht het bestuursniveau waar de aanvraag of melding wordt gedaan en ongeacht het bestuursniveau dat dient te beslissen.
De belasting op de vergunningsaanvragen en meldingen zoals bedoeld in art. 5 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt vastgesteld op:
Voor het afleveren van een omgevingsvergunning wordt volgende belasting geheven:
klasse 1: 60
klasse 2: 30
klasse 3: 6
Het totaal van de door het stadsbestuur voor bedoelde aanvraag gemaakte port- en publicatiekosten worden eveneens verhaald.
De belasting is niet verschuldigd indien de vergunning wordt geweigerd.
De belasting wordt contant betaald tegen afgifte van een betalingsbewijs. Bij gebrek van betaling wordt de belasting ingekohierd.
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2020.