De financiële toestand van de stad vergt de invoering van alle rendabele belastingen. Daartoe wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een belasting op de organisatie van het personenvervoer over de weg geheven.
Personen die personenvervoer op de weg voorzien gebruiken onze infrastructuur en het openbaar domein beroepsmatig en dus veel. Met deze belasting dragen ook zij bij om een deel van het onderhoud en de (her)aanleg van het openbaar domein te financieren.
Deze belasting verlicht de financiële lasten van de stad.
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017;
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, gewijzigd bij decreten van 28 mei 2010 en 17 februari 2012;
Decreet van 29 maart 2019 betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer;
Artikel 25-52 Decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het Personenvervoer over de weg (Taxidecreet);
Collegebeslissing van 29 november 2019.
De Gemeenteraad keurt het volgend besluit goed met 17 stemmen bij 13 onthoudingen (N-VA, Vlaams Belang, Halle 2019, Open VLD)
Er wordt voor de dienstjaren 2020 tot en met 2025 een gemeentebelasting gevestigd op de voertuigen bestemd voor de exploitatie van :
- een taxidienst
- een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder
De voertuigen bestemd voor de exploitatie van een taxidienst en een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder worden belast. De definities opgenomen in het decreet van 20 april 2001 (en latere wijzigingen) betreffende de organisatie van het personenvervoer zijn van toepassing.
De belasting wordt als volgt vastgesteld:
Taxidiensten:
1) € 250,00 per jaar en per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning;
2) € 450,00 per jaar en per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning wanneer de exploitant gebruik maakt van standplaatsen op de openbare weg;
3) een bijkomende belasting van € 75,00 per jaar en per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning van taxidiensten zonder standplaats op de openbare weg maar waarvan de voertuigen voorzien zijn van radiotelefonie;
4) € 500,00 per jaar en per voertuig dat deel uitmaakt van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder waarvoor een bijkomende vergunning voor taxidiensten is aangevraagd.
Diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder:
1) € 250,00 per jaar en per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning;
2) € 500,00 per jaar en per voertuig van de exploitant van een vergunde taxidienst waarvoor een bijkomende vergunning voor het verhuren van voertuigen met bestuurder is aangevraagd. Deze bedragen worden afhankelijk van de situatie en de vergunning gecumuleerd.
Volgens artikel 49§5 van het decreet van 20/4/2001 worden deze bedragen aangepast volgens de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Deze aanpassing gebeurt door middel van de coëfficiënt die wordt bekomen door het indexcijfer van de maand december van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar te delen door het indexcijfer van de maand december 2000 (93,53).
De belasting is verschuldigd voor het hele jaar, onafhankelijk van het moment waarop de vergunning afgegeven wordt. Ze is jaarlijks verschuldigd en ondeelbaar.
De vermindering van het aantal voertuigen of de opschorting van de exploitatie met één of meer voertuigen geeft geen aanleiding tot een belastingteruggave. Dit geldt eveneens voor de opschorting of de intrekking van een vergunning of het buiten werking stellen van één of meer voertuigen voor welke reden dan ook.
De belastingplichtige is de houder van de taxivergunning en vergunning voor het verhuren van voertuigen met bestuurder op 1 januari van het aanslagjaar of op het moment van de afgifte van de vergunning.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet.
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2020.