Terug
Gepubliceerd op 30/01/2020

2019_GR_00323 - Belasting op de opgravingen van stoffelijke overblijfselen - Vaststelling - Goedkeuring

Gemeenteraad
di 17/12/2019 - 20:00 Raadzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bertrand Demiddeleer, voorzitter; Marc Snoeck, ; Peggy Massien, ; Dieuwertje Poté; Christophe Merckx, ; Johan Servé, ; Pieter Busselot; Anne Mattot; Hedwig Van Rossem; Marc Picalausa, ; Mark Demesmaeker; Wim Demuylder; Marc Sluys; Nelly Lanis; Brigitte Moyson; Rogier Lindemans; Sven Pletincx; Amber Magnus, ; Anke Matthys, ; Arno Pirolo; Benjamin Swalens; Bram Vandenbroecke; Eva Demesmaeker, ; Jeroen Hofmans; Leen Destoop, ; Louis Van Dionant; Marijke Ceunen, ; Pascal Saenen; Yves Demanet; Valerie Hamelryck, ; Nicky Van Acker; Jan De Winne, Algemeen directeur

Verontschuldigd

Dirk Van Heymbeeck; André Gorgon

Secretaris

Jan De Winne, Algemeen directeur

Voorzitter

Bertrand Demiddeleer, voorzitter
2019_GR_00323 - Belasting op de opgravingen van stoffelijke overblijfselen - Vaststelling - Goedkeuring 2019_GR_00323 - Belasting op de opgravingen van stoffelijke overblijfselen - Vaststelling - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en doel

De financiële toestand van de stad vergt de invoering van alle rendabele belastingen. Daartoe wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een belasting geheven op de opgravingen van stoffelijke overblijfselen op de stedelijke begraafplaatsen.

Advies en motivering

Het aantal opgravingen moet beperkt worden om milieuhygiënische en technische redenen. Opgravingen zijn bovendien een arbeidsintensief werk. Het ontgraven of verplaatsen van stoffelijke resten brengen zowel financiële kosten als een personeelsinzet met zich mee voor het stadsbestuur. Door middel van een specifieke belasting levert de aanvrager een bijdrage in deze kosten.

Deze belasting verlicht de financiële lasten van de stad.

Juridische gronden

Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017;

Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, gewijzigd bij decreten van 28 mei 2010 en 17 februari 2012;

Artikel 15 van de Wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;

Wet van 28 januari 1975 betreffende de gemeentebelastingen op het lijkenvervoer;

Decreet van 16 januari 2004 betreffende de begraafplaatsen en de lijkbezorging;

Omzendbrief BB 2006/03 van 10 maart 2006 betreffende de toepassing van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en uitvoeringsbesluiten;

Collegebeslissing van 29 november 2019.

Besluit

De Gemeenteraad keurt het volgend besluit goed met 29 stemmen bij 2 onthoudingen (Vlaams Belang, Open VLD)

De gemeenteraad beslist:

Artikel 1

Er wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een belasting geheven op de opgravingen van stoffelijke overblijfselen op één der stedelijke begraafplaatsen.

Artikel 2

Voor opgravingen van een gewone begraving, bij een opgraving uit het columbarium en uit een urneveld wordt er een contantbelasting aangerekend. Bij gebreke van betaling wordt de belasting ingekohierd.

Artikel 3

Voor opgravingen van stoffelijke overblijfselen worden volgende bedragen aangerekend:
- 1.000 euro bij gewone begraving,
- 600 euro bij een opgraving uit columbarium (1 of 2 plaatsen)
- 600 euro bij een opgraving op een urnenveld (1 of 2 plaatsen).

Artikel 4

De belasting is verschuldigd door diegene die de machtiging tot opgraven vraagt.

Artikel 5

Vrijstelling van deze belasting wordt verleend:
- voor opgravingen van soldaten en burgers gestorven voor het vaderland- voor opgravingen verricht in uitvoering van rechterlijke beslissingen.
- voor opgravingen die ambtshalve door de stad worden verricht
- voor opgravingen kindergraven
- voor opgraving uit een columbarium of urneveld bij einde van de concessie gevolgd door:

  • bewaring, uitstrooiing of begraving van de as op een andere plaats dan de begraafplaats
  • uitstrooiing van de as op de strooiweide van de begraafplaats.

Artikel 6

De belasting op de opgraving wordt ingevorderd met een factuur. Er mag niet tot opgraving overgegaan worden vooraleer de factuur betaald is.

Artikel 7

De factuur dient betaald te worden binnen de 30 dagen.

Artikel 8

Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2020.