Terug
Gepubliceerd op 30/01/2020

2019_GR_00321 - Belasting op de begraving van al dan niet veraste stoffelijke overblijfselen - Vaststelling - Goedkeuring

Gemeenteraad
di 17/12/2019 - 20:00 Raadzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bertrand Demiddeleer, voorzitter; Marc Snoeck, ; Peggy Massien, ; Dieuwertje Poté; Christophe Merckx, ; Johan Servé, ; Pieter Busselot; Anne Mattot; Hedwig Van Rossem; Marc Picalausa, ; Mark Demesmaeker; Wim Demuylder; Marc Sluys; Nelly Lanis; Brigitte Moyson; Rogier Lindemans; Sven Pletincx; Amber Magnus, ; Anke Matthys, ; Arno Pirolo; Benjamin Swalens; Bram Vandenbroecke; Eva Demesmaeker, ; Jeroen Hofmans; Leen Destoop, ; Louis Van Dionant; Marijke Ceunen, ; Pascal Saenen; Yves Demanet; Valerie Hamelryck, ; Nicky Van Acker; Jan De Winne, Algemeen directeur

Verontschuldigd

Dirk Van Heymbeeck; André Gorgon

Secretaris

Jan De Winne, Algemeen directeur

Voorzitter

Bertrand Demiddeleer, voorzitter
2019_GR_00321 - Belasting op de begraving van al dan niet veraste stoffelijke overblijfselen - Vaststelling - Goedkeuring 2019_GR_00321 - Belasting op de begraving van al dan niet veraste stoffelijke overblijfselen - Vaststelling - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en doel

De financiële toestand van de stad vergt de invoering van alle rendabele belastingen. Daartoe wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een belasting geheven op de begraving van al dan niet veraste stoffelijke overblijfselen.

Advies en motivering

De begraving van een overledene brengt financiële – en personeelslasten met zich mee. Door middel van een specifieke belasting levert de aanvrager een bijdrage in deze kosten.

Deze belasting verlicht de financiële lasten van de stad.

Juridische gronden

Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017;

Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, gewijzigd bij decreten van 28 mei 2010 en 17 februari 2012;

Artikel 15 van de Wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;

Wet van 28 januari 1975 betreffende de gemeentebelastingen op het lijkenvervoer;

Decreet van 16 januari 2004 betreffende de begraafplaatsen en de lijkbezorging;

Omzendbrief BB 2006/03 van 10 maart 2006 betreffende de toepassing van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en uitvoeringsbesluiten;

Collegebeslissing van 29 november 2019.

Besluit

De Gemeenteraad keurt het volgend besluit goed met 29 stemmen bij 2 onthoudingen (Vlaams Belang, Open VLD)

De gemeenteraad beslist:

Artikel 1

Er wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een gemeentebelasting gevestigd op de begraving, de uitstrooiing en de bijzetting in een columbarium.

Artikel 2

De belasting is verschuldigd voor :
- de begraving van al dan niet veraste stoffelijke overblijfselen;
- de uitstrooiing van veraste stoffelijke overblijfselen op een perceel van de begraafplaats;
- de bijzetting van veraste stoffelijke overblijfselen in een columbarium.

Artikel 3

De belasting wordt vastgesteld op 400 euro per begraving, 200 euro per uitstrooiing of bijzetting in een columbarium.

Artikel 4

De belasting is niet van toepassing op de begraving, de uitstrooiing en de bijzetting in het columbarium van de stoffelijke overblijfselen van personen :
- overleden of dood aangetroffen op het grondgebied van de gemeente;
- overleden of dood aangetroffen buiten het grondgebied van de gemeente en ingeschreven in de bevolkingsregisters of vreemdelingenregister van deze gemeente.

Zijn van de belasting vrijgesteld :
- de personen die buiten het grondgebied van de stad overleden zijn maar in haar bevolkingsregister minstens 10 jaar ingeschreven waren gedurende de 25 jaar laatste jaren;
- zij die gehuchten van aanpalende gemeenten bewonen, die op parochiaal gebied ingedeeld zijn bij een parochie van de stad;
- zij die voor verzorging of wegens ouderdom bij gebrek aan plaatsruimte in het bejaardentehuis van de Stad Halle, verplicht werden hun intrek te nemen in een bejaardentehuis of bij een kind of bloedverwant tot en met de tweede graad buiten de stad Halle.

Zij worden bij hun overlijden volledig gelijkgesteld met inwoners van de stad Halle.

Voor wat de toepassing van het vorige lid betreft, worden personen die krachtens hun statuut  vrijstelling genieten van inschrijving in de gemeentelijke bevolkingsregisters, gelijkgesteld met personen ingeschreven in de registers.

Artikel 5

De invordering van de belasting gebeurt bij middel van een factuur.

Artikel 6

De belasting moet binnen de 30 dagen na de aflevering van de factuur bij de toelating tot begraving, bijzetting of uitstrooiing betaald worden. Bij gebreke aan betaling binnen deze termijn wordt de belasting ingekohierd en is ze onmiddellijk eisbaar. In het geval van inkohiering is de betalingstermijn twee maand.

Artikel 7

Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2020.