De financiële toestand van de stad vergt de invoering van alle rendabele belastingen. Daartoe wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een belasting op het sluikstorten geheven.
Sluikstorten en zwerfvuil op ons openbaar domein zijn een bron van ergernis. Het achterlaten van afval zoals sigarettenpeuken, kauwgom, etensresten, blikjes, flesjes, huisvuil of grofvuil maakt dat ons openbaar domein er vies uitziet. Bovendien heeft de stad als taak om over de gezondheid van haar inwoners te waken. Afval in de openbare ruimte is daar een bedreiging voor. Het opruimen van sluikstort en zwerfvuil kost aan de stad bovendien veel geld en mankracht.
We willen met deze belasting enerzijds ontradend werken, maar anderzijds ook financiële gevolgen kunnen verbinden aan de acties van mensen die zich schuldig maken aan sluikstorten of het achterlaten van zwerfvuil. Deze belasting verlicht de financiële lasten van de stad.
Decreet over het lokaal bestuur;
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, gewijzigd bij decreten van 28 mei 2010 en 17 februari 2012;
Artikel 16.6.3, §2 Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM);
Artikel 12, §1 Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet);
Beslissing college van burgemeester en schepenen dd. 29 november 2019.
De Gemeenteraad keurt het volgend besluit goed met algemene stemmen.
Voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 wordt een belasting geheven op het ambtshalve opruimen, reinigen en/of ontsmetten van de openbare weg naar aanleiding van sluikstorten en zwerfvuil, door of in opdracht van de stad.
Voor alle sluikstorten en zwerfvuil gevonden op het openbaar domein wordt er een belasting geheven. De bevoegde stadsambtenaren zijn gemachtigd om alle vaststellingen te doen van feiten, die aanleiding geven tot het vestigen van deze belasting.
De belasting bestaat uit de volgende onderdelen en wordt als volgt bepaald:
1. Belasting op het opruimen van de achtergelaten huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld bedrijfsafval
2. Belasting op het afvoeren, de overslag, het verwerken en storten of verbranden van de achtergelaten huishoudelijke afvalstoffen en het met huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld bedrijfsafval
Ieder begonnen uur wordt volledig aangerekend. De werkelijke kostprijs van de verbruikte producten en materialen worden eveneens aangerekend.
Er wordt een minimumbelasting geheven van 500 euro.
Bij het ambtshalve opruimen van sluikstorten door derden in opdracht van de stad wordt het factuurbedrag van deze derde, vermeerderd met een belasting van 200,00 euro doorgerekend aan de in artikel 2 vermelde belastingplichtige.
De belasting is verschuldigd door: Iedere persoon die afvalstoffen of stoffen en materialen hiermee vergelijkbaar, achterlaat, opslaat of stort op openbare en private wegen, plaatsen en terreinen op een wijze die niet overeenstemt met het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, de algemene politieverordening betreffende het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen en andere wettelijke bepalingen (o.a. Veldwetboek, Bosdecreet, VLAREM, e.d. …)
Er wordt een uitzondering toegestaan indien het een overtreding betreft op het aanbieden van huishoudelijk afval op een niet-reglementair tijdstip. In dit geval zal de overtreder eerst een schriftelijke aanmaning krijgen. Bij herhaling van deze overtreding zullen de bepalingen van art. 3 toegepast worden.
De belasting vermeld onder artikel 3, 1° moet contant betaald worden, tegen afgifte van een betalingsbewijs.
Bij gebreke aan contante betaling, wordt de belasting ingekohierd en is ze onmiddellijk eisbaar. De belasting vermeld onder artikel 3, 2° wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen. Deze belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2020.